246

Trek uw zwaard, gij eerstelingen,

1.
Trek uw zwaard, gij eerstelingen,
Christus’ bruid, een rest die bleef staan.
Eén zal ’t nieuwe lied slechts zingen.
Zij doet ’t reine bruidskleed nu aan.
/: Dat Gods heir ’t zwaard nu hanteer’.
God strijdt zelf mee, God, de Heer! :/
(Jer. 47:6-7; 48:10 | Ez. 21:16 | Jes. 1:9 | Rom. 11:5 | Amos 3:12)
2.
Gods gebod is kort en bondig
pest en marteltuig voor de hoer.
Zij veracht ’t gebod hartgrondig,
werpt het voor de gieren als voer!
/: Maar het zwaard, Gods woord, dàt spaart
niet één woord der hoer op aard. :/
(Op. 17:3)
3.
Weent en jammert, slechte herders,
die de wol der kudde begeert,
die graag zelf het vet wilt eten,
en met hol gepraat u verweert!
/: ’t Zwaard verteert al wie zich keert
tegen God, leek of geleerd. :/
(Jer. 25:34-36 | Ez. 34:3 | Op. 18:7)
4.
Nu is ’t tijd om door te breken:
heel uw hart van boosheid ontdaan!
Op uw voorhoofd ’s Heren teken,
laat geen steen op d’ andere staan!
/: Roep nu luid Gods wetten uit
en bekleed u als zijn bruid. :/
(Op. 19:8)
5.
Want de hoer is vrij van wetten,
vrij van opbouw door de Geest,
vrij van Jezus Christus’ lichaam,
slechts gebonden aan het Beest.
/: Wat een nood, diep en groot:
Christus wordt opnieuw gedood! :/
6.
Maar een kleine, dapp’re schare
draagt nu Christus’ vaandel voort.
Zij wil Gods gebod bewaren,
dringt zich binnen in ’s Heren woord.
/: En ziedaar! ’t Is zonneklaar:
zo bereik je ’t doel, voorwaar! :/
(2 Petr. 3:2)
Geschreven door Johan O. Smith (gepubliceerd in 1935)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ F