1.
Wees tot zegen steeds weer,
laat het niet bij één keer;
giet uw zegen in overvloed uit.
Nardusmirre hebt u
in uw kruik. Breek die nu.
Laat het stromen. Ja, neem dat besluit!
laat het niet bij één keer;
giet uw zegen in overvloed uit.
Nardusmirre hebt u
in uw kruik. Breek die nu.
Laat het stromen. Ja, neem dat besluit!
Refrein:
Volop zegen ligt daar
in uw oliekruik klaar,
onuitputt’lijke rijkdom van God.
Houd niet in, deel het mee!
Wees niet zuinig, o nee!
Zegen anderen, is het gebod.
in uw oliekruik klaar,
onuitputt’lijke rijkdom van God.
Houd niet in, deel het mee!
Wees niet zuinig, o nee!
Zegen anderen, is het gebod.
2.
O, dit zegenen doet
immers and’ren zo goed!
Geef toch door wat u kreeg; dat brengt loon!
Niets mag worden gespaard.
Denk aan God, die voor d’ aard
ook niet spaarde zijn enige Zoon!
immers and’ren zo goed!
Geef toch door wat u kreeg; dat brengt loon!
Niets mag worden gespaard.
Denk aan God, die voor d’ aard
ook niet spaarde zijn enige Zoon!
3.
Kind des duivels is hij,
die slechts denkt: Ik, mijn, mij.
’t Is uw roeping te zeeg’nen altijd.
Oordeel broeders toch nooit,
maar zie toe, meer dan ooit,
dat u stromen van zegen verspreidt!
die slechts denkt: Ik, mijn, mij.
’t Is uw roeping te zeeg’nen altijd.
Oordeel broeders toch nooit,
maar zie toe, meer dan ooit,
dat u stromen van zegen verspreidt!