364

Tien maagden, die uittrokken samen,

1.
Tien maagden, die uittrokken samen,
heb ik in de geest eens gezien.
Zij gingen met lampen, maar namen
niet allen een kruik bovendien.
Zij gingen hun bruidegom tegen,
hun liefste, hun heer, maar o wee!
Niet ieder heeft toegang gekregen
en mocht met de bruidegom mee.
Refrein:
Koop olie, koop olie, o luister!
Vul lamp en ook kruik; ’t is nog tijd.
O wee, als in ’t nachtelijk duister
uw lamp straks geen schijnsel verspreidt.
2.
’t Is nodig voor olie te zorgen.
Dit hebben de wijzen verstaan.
Naar bronnen, geheim en verborgen,
zijn zij in hun leven gegaan.
De anderen lachten en vonden:
een wondere bruigom is hij;
van ons wordt niet één weggezonden.
De zaak was al rond, meenden zij.
3.
De slaap overmande hen allen:
hij toefde te komen, hun heer.
Op aard was de nacht ingevallen,
men wende aan ’t donker steeds meer.
Opeens klonk een stem in het duister:
Ontwaak, want de bruigom is daar!
Ga hem tegemoet in zijn luister,
maak allen uw lampen nu klaar!
4.
Met lampen die uitdoofden, bleven
de dwazen te middernacht staan.
Zij riepen, door wanhoop gedreven:
Geef olie, o bied ons wat aan!
Toen deelden de wijzen hun mede:
Wij houden niets over voor u,
ga snel naar de kooplui ter stede
en koop olie zelf. Haast u nu!
5.
Terwijl zij naar deze raad deden,
zie, daar kwam de bruidegom aan!
De wijzen versnelden hun schreden;
blij zijn zij ter bruiloft gegaan.
De rest kwam vol spanning na ’t kopen:
Laat ons toch erin! riepen zij.
Voor hen deed hij echter niet open,
want niemand van hen kende hij.
Geschreven in 1946 door Elihu Pedersen (gepubliceerd in 1947)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ E