1.
Daar waar de zwaluwen nest’len,
daar waar de mus heeft haar huis,
daar op uw altaar, mijn Here,
daar wil ik hebben mijn thuis.
Daar waar het vuur brandt gedurig,
word ik gelouterd als goud.
De Geest der heerlijkheid, vurig,
heeft daar Gods schatten ontvouwd.
daar waar de mus heeft haar huis,
daar op uw altaar, mijn Here,
daar wil ik hebben mijn thuis.
Daar waar het vuur brandt gedurig,
word ik gelouterd als goud.
De Geest der heerlijkheid, vurig,
heeft daar Gods schatten ontvouwd.
Refrein:
U sprak: “Ik wil je ontmoeten,
daar op mijn altaar steeds weer.”
Help mij er steeds aan te denken
dat U mij daar vindt, o Heer!
daar op mijn altaar steeds weer.”
Help mij er steeds aan te denken
dat U mij daar vindt, o Heer!
2.
Wat een gezegende banden
van Hem, die mij zo bemint,
waarmee Hij dagelijks vaster
mij aan het altaar verbindt!
Dit offer, aan Hem gegeven,
vindt Hij zo lieflijk, zo schoon.
Wat men ook zegt van dit leven,
Hij slechts bepaalt waard’ en loon.
van Hem, die mij zo bemint,
waarmee Hij dagelijks vaster
mij aan het altaar verbindt!
Dit offer, aan Hem gegeven,
vindt Hij zo lieflijk, zo schoon.
Wat men ook zegt van dit leven,
Hij slechts bepaalt waard’ en loon.
3.
Nog slechts een korte tijd lijden,
nog is de offertijd daar.
Dra vier ’k mijn bruiloft zo blijde
met Hem, de schoonste, voorwaar.
“Voor jou bereid Ik een woning,
spoedig ben jij bij Mij thuis.”
Zo klinkt het woord der belofte.
Ja, Heer, U leidt mij naar huis!
nog is de offertijd daar.
Dra vier ’k mijn bruiloft zo blijde
met Hem, de schoonste, voorwaar.
“Voor jou bereid Ik een woning,
spoedig ben jij bij Mij thuis.”
Zo klinkt het woord der belofte.
Ja, Heer, U leidt mij naar huis!