1.
O wijsheid die van boven komt, gij hebt uw huis gebouwd;
uw roep klinkt van de hoogten: “Bekeer je, jong en oud!”
Verlangen naar de wijsheid leidt tot de koningsstaf.
Eens zitten wij op tronen, wij wegen ’t oordeel af.
uw roep klinkt van de hoogten: “Bekeer je, jong en oud!”
Verlangen naar de wijsheid leidt tot de koningsstaf.
Eens zitten wij op tronen, wij wegen ’t oordeel af.
2.
O wijsheid, die de moeder van de schone liefde zijt,
de eerste en de grootste in Gods oneindigheid,
reeds eeuwen voor de schepping, eer alles was bedacht,
waart gij daar reeds aanwezig in al uw schone pracht.
de eerste en de grootste in Gods oneindigheid,
reeds eeuwen voor de schepping, eer alles was bedacht,
waart gij daar reeds aanwezig in al uw schone pracht.
3.
O wijsheid, in de eerste plaats zijt gij volkomen rein,
de afglans van Gods goedheid, door smetteloos te zijn.
Uw heerlijkheid is groter dan ’t zonlicht in zijn kracht.
Verliest de zon haar stralen, de wijsheid houdt haar macht.
de afglans van Gods goedheid, door smetteloos te zijn.
Uw heerlijkheid is groter dan ’t zonlicht in zijn kracht.
Verliest de zon haar stralen, de wijsheid houdt haar macht.
4.
O wijsheid die van boven komt, gij hebt der stommen mond
geopend en genezen, hun spreken werd gezond.
Gij wist de weg te wijzen, de uitkomst uit de dood,
verdrijft het nacht’lijk duister gelijk het morgenrood.
geopend en genezen, hun spreken werd gezond.
Gij wist de weg te wijzen, de uitkomst uit de dood,
verdrijft het nacht’lijk duister gelijk het morgenrood.
5.
De wijsheid wandelt midden op de wegen van het recht,
en wie haar liefheeft, wordt ware rijkdom toegezegd.
Haar rechterhand schenkt leven, haar linker rijkdom, eer;
zij is een boom des levens, waarbij ik graag verkeer.
en wie haar liefheeft, wordt ware rijkdom toegezegd.
Haar rechterhand schenkt leven, haar linker rijkdom, eer;
zij is een boom des levens, waarbij ik graag verkeer.
6.
De heiligen met ’t woord van God en wijsheid in hun hart
doorzochten alle dingen; elk raadsel werd ontward.
Zij leefden hier in eenvoud, maar sprak zo’n heilig man,
dan wist hij van geen wank’len, zelfs niet voor een tiran.
doorzochten alle dingen; elk raadsel werd ontward.
Zij leefden hier in eenvoud, maar sprak zo’n heilig man,
dan wist hij van geen wank’len, zelfs niet voor een tiran.
7.
Aanvank’lijk voert de wijsheid ons op een oneffen pad;
haar tucht kan ons bezwaren, men wordt soms bang en mat.
Maar later, broeders, zusters, zijn wij niet meer bedroefd.
Dan heelt zij onze wonden, als wij eerst zijn beproefd.
haar tucht kan ons bezwaren, men wordt soms bang en mat.
Maar later, broeders, zusters, zijn wij niet meer bedroefd.
Dan heelt zij onze wonden, als wij eerst zijn beproefd.
8.
Daarom ben ik met smeking en geroep tot God gegaan;
de wijsheid is gekomen, nam mij vol liefde aan.
Mijn voeten in haar boeien, die harder zijn dan staal,
een krachtiger bescherming dan vuurgehard metaal.
de wijsheid is gekomen, nam mij vol liefde aan.
Mijn voeten in haar boeien, die harder zijn dan staal,
een krachtiger bescherming dan vuurgehard metaal.