1.
Zie, daar wordt de bruid gekroond
en de bruidegom beloond,
nu z’ in heilig bruidsgewaad
lief’lijk voor de Vader staat!
en de bruidegom beloond,
nu z’ in heilig bruidsgewaad
lief’lijk voor de Vader staat!
2.
Deze kroon is zij ook waard.
Zij heeft immers niets gespaard
om in overgave, rein
voor haar Bruidegom te zijn.
Zij heeft immers niets gespaard
om in overgave, rein
voor haar Bruidegom te zijn.
3.
Om haar kroon is zij in strijd
en in lijden ingewijd.
Ja, zij achtte zich als dood,
deed wat Christus haar gebood.
en in lijden ingewijd.
Ja, zij achtte zich als dood,
deed wat Christus haar gebood.
4.
Geest van oordeel, tucht steeds weer,
vormden haar tot Christus’ eer,
zodat zij nu vlekk’loos staat
in haar heilig bruidsgewaad.
vormden haar tot Christus’ eer,
zodat zij nu vlekk’loos staat
in haar heilig bruidsgewaad.
5.
In de hemel is zij thuis!
Aan haar moeite, zorg en kruis
denkt zij thans, daar bij haar Heer
in de koningsburcht, niet meer!
Aan haar moeite, zorg en kruis
denkt zij thans, daar bij haar Heer
in de koningsburcht, niet meer!