1.
Wie is zij, die zo lieflijk daar voortschrijdt,
stil de weg der gerechtigheid gaat?
Zij versmaadt ’s werelds aanzien en grootheid,
tegen ’t kwaad heeft z’ een grondige haat.
stil de weg der gerechtigheid gaat?
Zij versmaadt ’s werelds aanzien en grootheid,
tegen ’t kwaad heeft z’ een grondige haat.
Refrein:
’t Is de bruid, onderweg naar haar bruigom;
zij is Hem gans en al toegewijd.
’t Is de bruid, onderweg naar haar bruigom;
spoedig is haar de bruiloft bereid.
zij is Hem gans en al toegewijd.
’t Is de bruid, onderweg naar haar bruigom;
spoedig is haar de bruiloft bereid.
2.
Wie is zij, die door liefde gedreven
naar ’t gebod stipt haar levenspad richt?
Zie, haar ogen zijn opwaarts geheven,
daar haar hoop en verlangen ginds ligt.
naar ’t gebod stipt haar levenspad richt?
Zie, haar ogen zijn opwaarts geheven,
daar haar hoop en verlangen ginds ligt.
3.
Wie is zij, die veracht wordt door velen,
ook al dient en bemint zij slechts Eén?
In haar liefde zal geen ander delen,
want zij denkt aan haar bruigom alleen.
ook al dient en bemint zij slechts Eén?
In haar liefde zal geen ander delen,
want zij denkt aan haar bruigom alleen.
4.
Wie heeft in de verdrukking slechts vreugde?
Ja, de komende dag lacht zij toe.
Zij verkondigt de heilige deugden,
vol van ijver en ernst, nimmer moe.
Ja, de komende dag lacht zij toe.
Zij verkondigt de heilige deugden,
vol van ijver en ernst, nimmer moe.
5.
Zie haar, schoon als een lelie, verrijzen,
die haar geur tussen distels verspreidt.
Ja, Gods wil altijd doen is haar spijze.
haar geluk blijft in all’ eeuwigheid.
die haar geur tussen distels verspreidt.
Ja, Gods wil altijd doen is haar spijze.
haar geluk blijft in all’ eeuwigheid.