1.
Velen reizen naar Oost en naar West,
denken: ginder is het ’t allerbest.
/: U gelooft en u droomt, dat ’t geluk ginder woont,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
denken: ginder is het ’t allerbest.
/: U gelooft en u droomt, dat ’t geluk ginder woont,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
2.
U kunt vluchten van hier en naar daar,
u kunt zoeken, ja zelfs jaar op jaar.
/: Onderzoeken, bezien, huilen, lachen misschien,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
u kunt zoeken, ja zelfs jaar op jaar.
/: Onderzoeken, bezien, huilen, lachen misschien,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
3.
Als u klaagt, ’t zij bij dag of bij nacht,
’t heeft u toch nooit iets beters gebracht.
/: Bent u moeilijk en naar, wordt het leven zo zwaar,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
’t heeft u toch nooit iets beters gebracht.
/: Bent u moeilijk en naar, wordt het leven zo zwaar,
maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
4.
Ja, de plaats die u hebt, bent u moe.
U wilt snel naar een andere toe.
/: En komt u dan daar aan, is de zorg meegegaan.
Maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
U wilt snel naar een andere toe.
/: En komt u dan daar aan, is de zorg meegegaan.
Maar wordt u goed, dan wordt alles goed. :/
5.
Ja, wij hebben het heerlijk en goed.
’t Is ons klein wat de wereld ook doet,
/: zowel mensen als dier, alles wat wemelt hier.
Ik word goed, ja, en alles wordt goed. :/
’t Is ons klein wat de wereld ook doet,
/: zowel mensen als dier, alles wat wemelt hier.
Ik word goed, ja, en alles wordt goed. :/