1.
Dank voor uw woord, o Heer!
Dat troost mij keer op keer.
’t Zegt mij: “Wees niet bevreesd, Ik ben nabij!”
U hebt mijn hand gevat,
baant mij een effen pad.
Dwars door de wildernis leidt U ook mij.
Dat troost mij keer op keer.
’t Zegt mij: “Wees niet bevreesd, Ik ben nabij!”
U hebt mijn hand gevat,
baant mij een effen pad.
Dwars door de wildernis leidt U ook mij.
2.
Droefenis grijpt mij aan.
Ik wil de rust ingaan!
Ik hoop op U, en ik dorst naar uw wil.
Hoor toch mijn bidden nu,
Vader, ik smeek het U.
’k Wil U vertrouwen, gehoorzaam en stil.
Ik wil de rust ingaan!
Ik hoop op U, en ik dorst naar uw wil.
Hoor toch mijn bidden nu,
Vader, ik smeek het U.
’k Wil U vertrouwen, gehoorzaam en stil.
3.
Moet ik door water heen,
U laat mij niet alleen,
’k zal door geen stromen of golven vergaan.
U leidt mij door het vuur.
Laat daarbij mijn natuur
grondig verteren; leer mij dit verstaan!
U laat mij niet alleen,
’k zal door geen stromen of golven vergaan.
U leidt mij door het vuur.
Laat daarbij mijn natuur
grondig verteren; leer mij dit verstaan!
4.
Mijn wil, mijn leven, Heer,
leg ik op ’t altaar neer.
Laat het een offer zijn, eens voor altijd.
Mijn ziel in alle nood
uitgieten in de dood,
dat slechts brengt winst tot in all’ eeuwigheid!
leg ik op ’t altaar neer.
Laat het een offer zijn, eens voor altijd.
Mijn ziel in alle nood
uitgieten in de dood,
dat slechts brengt winst tot in all’ eeuwigheid!
5.
Mijn vaste burcht zijt Gij,
uw gunst blijft mij nabij.
Ik leg mijn leven geheel in uw hand,
en werk met kracht eraan
uw rust nu in te gaan.
U houdt mij door uw genade in stand.
uw gunst blijft mij nabij.
Ik leg mijn leven geheel in uw hand,
en werk met kracht eraan
uw rust nu in te gaan.
U houdt mij door uw genade in stand.