1.
Zie de helden van weleer,
de getuigen van de Heer.
Zie ’t geduld waarmee men leed
en de moed waarmee men streed.
Diep had men in ’t stof gebogen.
Nu kon God hen ook verhogen!
Krachtig heldendom!
Prachtig heldendom!
de getuigen van de Heer.
Zie ’t geduld waarmee men leed
en de moed waarmee men streed.
Diep had men in ’t stof gebogen.
Nu kon God hen ook verhogen!
Krachtig heldendom!
Prachtig heldendom!
2.
Denk aan Henochs heerlijk lot!
Hij toch wandelde met God.
Hij kreeg deel aan “Christus’ dood”;
zijn geloof was werk’lijk groot.
’t Leven in zijn God verborgen,
was hij weg op zeek’re morgen:
voer ten hemel op!
Zo nam God hem op!
Hij toch wandelde met God.
Hij kreeg deel aan “Christus’ dood”;
zijn geloof was werk’lijk groot.
’t Leven in zijn God verborgen,
was hij weg op zeek’re morgen:
voer ten hemel op!
Zo nam God hem op!
3.
Noach had geloof in God,
bouwd’ een ark op zijn gebod.
Niets dan kwaad had men gesticht.
Toen zond God een strafgericht.
’t Water stortte neer in stromen.
Slechts de ark is toen ontkomen.
Noach bleef gespaard,
God had hem bewaard.
bouwd’ een ark op zijn gebod.
Niets dan kwaad had men gesticht.
Toen zond God een strafgericht.
’t Water stortte neer in stromen.
Slechts de ark is toen ontkomen.
Noach bleef gespaard,
God had hem bewaard.
4.
Abraham, een vriend van God,
kreeg zijn zoon terug tot slot.
Na het offer dat hij bracht,
kreeg hij een groot nageslacht.
Hier heeft hij gewoond in tenten,
zag de stad met fundamenten:
’t nieuw Jeruzalem!
Daar zien wij ook hem.
kreeg zijn zoon terug tot slot.
Na het offer dat hij bracht,
kreeg hij een groot nageslacht.
Hier heeft hij gewoond in tenten,
zag de stad met fundamenten:
’t nieuw Jeruzalem!
Daar zien wij ook hem.
5.
En ook Jozef kende God,
hij moest lijden om ’t gebod.
Eerst vernederd, toen als held
in Egypte aangesteld.
Eenmaal op de troon gezeten,
heeft hij God ook niet vergeten.
In Jeruzalem
wacht een kroon voor hem.
hij moest lijden om ’t gebod.
Eerst vernederd, toen als held
in Egypte aangesteld.
Eenmaal op de troon gezeten,
heeft hij God ook niet vergeten.
In Jeruzalem
wacht een kroon voor hem.
6.
Vaak heeft Mozes God ontmoet:
vol van vrees en toch vol moed!
Eén met God en in zijn kracht,
had hij steeds de overmacht.
Trotse strijders zijn verslagen.
Hij werd groot door zorg te dragen.
Wonderbare moed:
christenstrijders moed!
vol van vrees en toch vol moed!
Eén met God en in zijn kracht,
had hij steeds de overmacht.
Trotse strijders zijn verslagen.
Hij werd groot door zorg te dragen.
Wonderbare moed:
christenstrijders moed!
7.
Een olijfboom, groen en fris,
die in ’t huis des Heren is!
Zo was David, die veel leed,
en die Goliat bestreed.
Hij heeft zich in ’t stof gebogen,
zodat God hem kon verhogen.
Hij was waar en echt,
vreedzaam en oprecht.
die in ’t huis des Heren is!
Zo was David, die veel leed,
en die Goliat bestreed.
Hij heeft zich in ’t stof gebogen,
zodat God hem kon verhogen.
Hij was waar en echt,
vreedzaam en oprecht.
8.
Zie ook Jezus, hier vermeld
als de allergrootste held!
Die door zijn verrijzenis
eerste en ook laatste is.
En de held, in Hem geboren,
is door Hem tot bruid verkoren.
Zij gaat door het vlees,
leeft nu door zijn Geest.
als de allergrootste held!
Die door zijn verrijzenis
eerste en ook laatste is.
En de held, in Hem geboren,
is door Hem tot bruid verkoren.
Zij gaat door het vlees,
leeft nu door zijn Geest.