1.
Waak, dat de lamp des geestes steeds blijft branden.
Zie toe, dat deze altijd olie heeft,
/: die u verkreeg door stille offeranden.
Dit is het leven, dat Gods zegen heeft. :/
Zie toe, dat deze altijd olie heeft,
/: die u verkreeg door stille offeranden.
Dit is het leven, dat Gods zegen heeft. :/
2.
Sta toch de Landman toe om u te snoeien,
want dan alleen kan eed’le vrucht ontstaan.
/: Olijven persen doet de olie vloeien.
U kunt gezalfd straks eeuwig feesten gaan. :/
want dan alleen kan eed’le vrucht ontstaan.
/: Olijven persen doet de olie vloeien.
U kunt gezalfd straks eeuwig feesten gaan. :/
3.
Ver van de mensen, in de tent des Heren,
perst u olijven voor Gods aangezicht.
/: U kunt de olie in uw lamp vermeren,
als u dat werk volhardend, trouw verricht. :/
perst u olijven voor Gods aangezicht.
/: U kunt de olie in uw lamp vermeren,
als u dat werk volhardend, trouw verricht. :/
4.
O, waak en bid, dat u nooit in zult sluim’ren.
Juist in de avondschemer dreigt gevaar.
/: Pers de olijven, ga uw tijd benutten,
de lamp gereed! De nacht is weldra daar! :/
Juist in de avondschemer dreigt gevaar.
/: Pers de olijven, ga uw tijd benutten,
de lamp gereed! De nacht is weldra daar! :/