245

Jezus, mijn Heiland, hoe groot bent U mij

1.
Jezus, mijn Heiland, hoe groot bent U mij,
daar U een mens werd, precies zoals wij.
U had geen luister, U werd diep veracht;
alles verdroeg U, Gods Zoon, zonder klacht.
Refrein:
O, mensenzoon! U bent zo schoon!
’t Kruis met zijn pijnen, dat werd hier uw loon,
en voor die tijd vol leed en strijd
wil ik U prijzen in all’ eeuwigheid.
2.
Dakloos en arm trok u zegenend rond
en ’t woord des levens ging uit van uw mond.
U zocht zichzelf niet en kende geen eis,
maar gaf de hong’rige hemelse spijs.
3.
Eenzaam, vol angst was uw strijd in de hof,
als druppels bloed viel uw zweet in het stof.
Niemand streed mee, ja, men liet U alleen,
maar zegevierend kwam U er doorheen.
4.
’t Kruis dragen kreeg U niet zelf voor elkaar.
Wat was uw weg toch onnoemelijk zwaar!
Slagen en woorden van smaad, zonder tal,
eenzaam, weersproken, miskend overal.
5.
Roem, eer en grootheid, het zegt mij niets meer:
vuilnis, bij U vergeleken, o Heer!
Ik wil uw weg van vernedering gaan,
inzetten, Heer, heel mijn leven voortaan.
Geschreven door Ingrid Bekkevold (gepubliceerd in 1935)Gecomponeerd door William J. KirkpatrickTekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ C