296

Jezus, die het pad liep ’s avonds,

1.
Jezus, die het pad liep ’s avonds,
dat naar de Olijfberg leidt,
wist dat heel zijn weg van lijden
door de Vader was bereid.
Gods wil deed Hij, waarheid sprak Hij
ondanks tegenspraak en hoon;
Hij was die Hij zei te wezen:
Gods Messias, Mensenzoon.
2.
Toen de zon weer opging ’s morgens,
na een lange, bange nacht
van veel smekingen en tranen,
was Hij weer vervuld met kracht
om de last te blijven dragen
op zijn smalle levenspad,
en gehoorzaamheid te leren
uit het lijden dat Hij had.
3.
Toen Hij de beek Kidron daarna
’s avonds over was gegaan,
wist Hij: weldra komt het einde,
is mijn werk op aard gedaan.
Toen zijn zweet als druppels bloed viel,
in zijn diepe nood, riep Hij:
“O mijn Vader, indien moog’lijk,
neem de beker weg van Mij!”
4.
Dank Heer, U hebt overwonnen,
nu is ’t moog’lijk ook voor mij
om de smalle weg te volgen.
Daartoe, Heer, verkoos U mij.
U geeft kracht in zware tijden,
zoals U ook kreeg die nacht.
Dank, o Heer, U bent mij alles;
heel mijn sterkte, moed en kracht.
Geschreven in 1923 door Olaug Madsen (gepubliceerd in 1937)Gecomponeerd door Annie J. F. HarrisonTekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ E