1.
Zeg mij, waarom loop je met een slecht geweten rond?
Waarom tracht je te verbergen wat God toch doorgrondt?
Dat je zo door wroeging lijden moet, o wat een plaag!
Waarom reinig jij je niet vandaag?
Waarom tracht je te verbergen wat God toch doorgrondt?
Dat je zo door wroeging lijden moet, o wat een plaag!
Waarom reinig jij je niet vandaag?
Refrein:
Reinig, reinig je geheel,
kies toch voor het goede deel.
Steeds een goed geweten: dát geeft vrede!
Reinig, reinig je geheel.
kies toch voor het goede deel.
Steeds een goed geweten: dát geeft vrede!
Reinig, reinig je geheel.
2.
Jij bent zo onrustig, merkt hoe dichtbij Satan is.
En hij blijft maar plagen, waar je leeft in duisternis.
Breng je leven in het licht, dan merk je: hij vliedt heen.
Waarom niet bevrijd van hem, meteen?
En hij blijft maar plagen, waar je leeft in duisternis.
Breng je leven in het licht, dan merk je: hij vliedt heen.
Waarom niet bevrijd van hem, meteen?
3.
Allen die gehoorzaam zijn, geeft God zijn Geest, zo goed.
Zijn genade wordt hun deel in grote overvloed.
Spoedig komt het oordeel, geen genaad’ is er dan meer.
Maak het nu in orde met de Heer!
Zijn genade wordt hun deel in grote overvloed.
Spoedig komt het oordeel, geen genaad’ is er dan meer.
Maak het nu in orde met de Heer!
4.
Zulk een rein geweten hoeft voor velen niet altijd.
Zij verwerpen het, waardoor ’t geloof dan schipbreuk lijdt.
Zij bespotten wie hun leven brengen in het licht.
Heel hun hart is voor ’t verderf gezwicht.
Zij verwerpen het, waardoor ’t geloof dan schipbreuk lijdt.
Zij bespotten wie hun leven brengen in het licht.
Heel hun hart is voor ’t verderf gezwicht.
5.
Reinig je, en God geeft jou ’t geloofsgeheimenis.
Jij krijgt kennis die alleen voor reine mensen is.
Jij moet rein van hart zijn, dan alleen aanschouw je God.
Waarom dan niet houden zijn gebod?
Jij krijgt kennis die alleen voor reine mensen is.
Jij moet rein van hart zijn, dan alleen aanschouw je God.
Waarom dan niet houden zijn gebod?